Print deze pagina

Jaarverslag 1999 Taakgroep Geodetisch-Astronomisch Station Westerbork

Rapport Samen metenRadiotelescoop Westerbork

Antenne van het AGRS.NL in Westerbork

Ruim vijf jaar geleden zag de toenmalige Faculteit der Geodesie van de TU Delft zich genoodzaakt zich te beraden op de toekomst van haar Observatorium voor Satellietgeodesie te Kootwijk. Deze vestiging was twintig jaar eerder in gebruik genomen als onderkomen voor de, toen voornamelijk optische en stationaire, satellietgeodetische waarnemingsactiviteiten van de Faculteit. Technische ontwikkelingen sedertdien, waarbij in toenemende mate gebruik wordt gemaakt van transportabele en verregaand geautomatiseerde waarnemingsapparatuur, boden kansen voor een meer doelmatige bedrijfsvoering, zonder dat de uitvoerbaarheid van het wetenschappelijk programma daardoor in gevaar zou komen. De verhoogde doelmatigheid werd gevonden in overplaatsing van de dagelijkse werkzaamheden van het personeel naar Delft en de verhuizing van de stationaire voorzieningen naar de radiosterrenwacht van NWO/ASTRON te Westerbork.

Hierdoor werd de geodetische waarnemingsapparatuur van het observatorium geografisch verenigd met de sterrenkundige, te weten met de synthese radiotelescoop ter plaatse en de bijbehorende voorzieningen. Door deze uitnodigende omstandigheden aangesproken, besloot de Commissie op 22 mei 1997 tot instelling van de Taakgroep Geodetisch-Astronomisch Station Westerbork, met als algemeen gestelde opdracht na te gaan hoe de wetenschappelijke meerwaarde van deze vereniging optimaal kan worden benut.

Vanaf het begin van het verslagjaar namen aan het overleg in de Taakgroep deel: prof.dr.ir. L. Aardoom (voorzitter, bestuurslid van de NCG), prof.ir. B.A.C. Ambrosius (Faculteit Luchtvaart- en Ruimtevaarttechniek, TU Delft), dr.ir. W.A. Baan (ASTRON, directeur van de radiosterrenwacht), prof.dr.-Ing.habil R. Klees (Subfaculteit - later Afdeling - Geodesie, TU Delft), dr.ir. H. van der Marel (Subfaculteit - later Afdeling - Geodesie, TU Delft), ir. R.E. Molendijk (Meetkundige Dienst RWS) en prof.dr. R.T. Schilizzi (Joint Institute for VLBI in Europe). In de loop van het jaar werd ook ing. D.L.F. van Loon (Subfaculteit - later Afdeling - Geodesie, TU Delft) bij het werk betrokken. Als uitvoerend secretaris van de NCG, gaf de heer F.H. Schröder ook in 1999 bestuurlijke ondersteuning.

Op 2 november 1998 had de Taakgroep haar rapport De wetenschappelijke rol van het astrometrisch-geodetisch observatorium te Westerbork aan de NCG uitgebracht. Het hoofdrapport, dat zich toespitste op de technisch-wetenschappelijke aspecten, kreeg in de vergadering van 2 december 1998 de instemming van de Commissie.

De Taakgroep stelde in haar rapport dat het observatorium haar waarde ontleent aan de geografische vereniging van sterrenkundige en geodetische apparatuur, zoals ingebracht door ASTRON, JIVE en de TU Delft. Apparatuur die primair zal worden ingezet voor het vormen van doorlopende nauwkeurige multi-instrumentele meetreeksen. Deze zijn te benutten voor kritisch onderzoek op het gebied van de mondiale geokinematica, mede in relatie tot de voor ons land belangrijke kwantificering van de eigentijdse relatieve variatie van de zeespiegel. Het is de bedoeling, door de verenigde inzet van de complementaire apparatuur, Nederland in wereldwijd verband kinematisch beter te 'verankeren'. Hierbij verdient de - mede als gevolg van de atmosferische refractie - doorgaans minder goed bepaalde hoogtecomponent de eerste aandacht. Nauw verweven met deze probleemstelling is die van de definitie en realisatie van een consistent aardeomspannend referentiestelsel voor plaats. Een bijdrage aan de oplossing van deze problematiek is - aldus het rapport - niet alleen een taak die ons kennis- en middelenrijke land niet geheel aan anderen mag overlaten, maar tevens onmisbaar voor de bedoelde 'verankering' van Nederland. Het observatorium zal ook een facilitaire rol moeten vervullen ten behoeve van aanpalend onderzoek inzake de aardrotatie, de samenstelling van de dampkring en tijdsvergelijking en -bijhouding. Om de beoogde taken naar behoren te kunnen vervullen zal nog waarnemingsondersteunend onderzoek moeten worden verricht.

Op basis van haar rapport heeft de Taakgroep in 1999 in opdracht van de Commissie een plan tot gezamenlijke uitvoering van het bedoelde onderzoek voorbereid. Dit plan vormde het uitgangspunt voor de 'Intentie tot het wetenschappelijk gebruik van het Astrometrisch-Geodetisch Observatorium te Westerbork (AGOW)', neergelegd in een gezamenlijke verklaring van de bij het voorgenomen onderzoek direct betrokken partijen: het Delft Institute for Earth Oriented Space Research (DEOS, TU Delft), de Meetkundige Dienst van de Rijkswaterstaat, ASTRON en JIVE. Deze verklaring werd op 24 september ondertekend. Dit was de officiële handeling die de ingebruikneming van het AGOW markeerde. Deze ingebruikneming ging vergezeld van een informeel symposium, onder auspiciën van de NCG georganiseerd. De gehouden voordrachten worden in 2000 door de NCG in een herinneringsbundel uitgegeven.

De Taakgroep kon op 22 november worden gedechargeerd.