Print deze pagina

Jaarverslag 2011 Subcommissie Geodetische Infrastructuur en Referentiesystemen


Vergaderingen en samenstelling van de Subcommissie

De Subcommissie is in 2011 driemaal bijeengeweest voor de 67e, 68e en 69e vergadering op respectievelijk 20 januari, 22 juni en 7 december. In 2011 zijn er geen wijzigingen geweest in de samenstelling van de Subcommissie; zie Bijlage 1. Samenstelling van de organen van de NCG, pag. 54. Voorzitter van de Subcommissie dr.ir. H. Quee is herbenoemd als lid van de Nederlandse Commissie voor Geodesie en voorzitter van de Subcommissie, waarbij op zijn verzoek zijn termijn afloopt wanneer de reorganisatie van de geodetische infrastructuur is afgerond; zie ook hierna onder Werkgroep Geodetische infrastructuur van Nederland.

Op de 67e vergadering gaf mr.ir. P.M. Laarakker (Kadaster) een toelichting op de activiteiten van de NCG voor een kennis- en onderzoeksagenda geodesie en geo-informatie. De vergadering stelde vast dat de sectoren agro/food, water en high tech rechtstreeks belang hebben bij de geodetische infrastructuur.


Werkgroep Geodetische infrastructuur van Nederland

Naar aanleiding van het NCG-rapport Huidige organisatie en ontwikkelingsrichting van de geodetische infrastructuur in Nederland. Na vergelijking met onze buurlanden (2009) is een werkgroep van de uitvoerende diensten in het leven geroepen met ing. S.H. Oosterhof (Kadaster) als voorzitter. Op 23 maart 2011 is een rapport van de werkgroep aan de directies aangeboden.


IGS, EPN en AGRS.NL

Het Actief GPS Referentie Systeem voor Nederland (AGRS.NL) is een basis van de geodetische infrastructuur van Nederland. AGRS.NL bestond eind 2011 uit de negen stations (in alfabetische volgorde): Apeldoorn, Delft, Eijsden, IJmuiden, Kootwijk, Terschelling, Vlieland, Vlissingen en Westerbork. De stations Delft, Eijsden, Terschelling, Westerbork en Kootwijk maken deel uit van het European Permanent Network (EPN). Westerbork, Kootwijk en Delft maken ook deel uit van de International GNSS Service (IGS). Westerbork heeft in de IGS de status van IGS08 Core Reference Frame site voor de realisatie van het International Terrestrial Reference Frame (ITRF).

Bij de afdeling Geometrische Referentie Systemen (GRS) van het Kadaster worden van de AGRS.NL-stations de coördinaten per dag berekend ten opzichte van omliggende IGS-stations. De berekeningen worden uitgevoerd volgens de richtlijnen van de commissie EUREF (European Reference Frame) en met ondersteuning van de TU Delft. De gepubliceerde coördinaten van de AGRS-stations worden gewijzigd als het jaarlijks gemiddelde van een of meer stations significant afwijkt. Bij de berekeningen over 2011 was dit niet het geval en bleven de in 2010 vastgestelde coördinaten, en daarmee ook de geldende transformatie RDNAPTRANS™2008 tussen ETRS89 (European Terrestrial Reference System 1989) en RD/NAP (Rijksdriehoeksmeting/Normaal Amsterdams Peil, samenwerkingsverband van het Kadaster en Rijkswaterstaat), gehandhaafd.

De geometrische kwaliteit van het AGRS volgt uit de berekening van tijdseries, de verschillen van de dagoplossingen met vastgestelde waarden. Eind 2011 is door het Kadaster het rapport Analyse Meerjarige AGRS Tijdseries Trends in de coördinaten van de AGRS stations opgesteld in opdracht van de Rijkswaterstaat Data-ICT-Dienst. De directe aanleiding voor dit rapport is een verzoek uit het RDNAP-overleg van 15 september 2011 om een betere indruk te krijgen van de stabiliteit van het NAP. De meerjarige tijdseries laten, veel beter dan de eenjarige, de veranderingen van de coördinaten van de stations zien. Sprongen in deze tijdreeksen als gevolg van veranderde rekenmethoden of antennewijzigingen worden geëlimineerd om uiteindelijk langjarige trends over te houden. De belangrijkste conclusies uit het rapport zijn dat het AGRS een stabiel netwerk is, maar dat de koppeling met het NAP (met name ondergrondse merken) verbeterd moet worden om uitspraken over de stabiliteit van het NAP te kunnen doen.

De methodiek voor de meerjarige tijdseries is, in tegenstelling tot vorige jaren waarin tijdreeksen per jaar gebruikt werden, toegepast voor het AGRS.NL Jaarverslag 2011.


RD-infrastructuur en NETPOS

De afdeling Geometrische Referentie Systemen (voorheen Rijksdriehoeksmeting) van het Kadaster heeft ook in 2011 de bijhouding verzorgd van 430 GPS-kernnetpunten door het uitvoeren van GNSS-metingen en waterpassingen. Een voorgenomen wijziging in de frequentie en/of het aantal punten van deze bijhouding is doorgeschoven naar een volgend jaar.

Het aantal mobiele GNSS-ontvangers dat gebruik maakt van de Netherlands Positioning Service, NETPOS, de real-time GNSS-dienstverlening van het Kadaster, bleef in 2011 stabiel op 381. Gebruikers zijn het Kadaster en Rijkswaterstaat en hun aannemers. Het Kadaster gebruikt voor 80% van de kadastrale metingen NETPOS; Rijkswaterstaat gebruikt NETPOS voornamelijk voor het uitvoeren van peilingen. Het KNMI gebruikt NETPOS-gegevens voor de schatting van waterdamp in de atmosfeer.

Het NETPOS-netwerk bestond eind 2011 uit 35 referentiestations. De AGRS-stations die het Kadaster in beheer heeft: Apeldoorn, Eijsden, IJmuiden, Terschelling, Vlieland en Vlissingen worden binnen NETPOS gemonitord. IJmuiden, Terschelling, Vlieland en Vlissingen maken tevens deel uit van het real-time netwerk. Een uitgebreid overzicht van referentiestations in Nederland en in de ons omringende landen wordt gepubliceerd op http://gnss1.tudelft.nl/pub/nlref/.


NAP-infrastructuur

Er is een samenwerkingsovereenkomst gesloten tussen de Rijkswaterstaat Data-ICT-Dienst en de TU Delft voor kennisbehoud en kennisontwikkeling op het gebied van de geodesie. Een van de onderzoeksonderwerpen is de verticale stabiliteit van het NAP; zie ook Zwaartekrachtinfrastructuur en verticale referentiesystemen hieronder. Het zwaartekrachtspunt in Wageningen is verplaatst.

Het zwaartekrachtspunt bij Kootwijk zal mogelijk verplaatst moeten worden. Dit punt bevindt zich onder de watertoren. De watermassa die al dan niet in de toren zit, heeft teveel invloed op de uitkomst van de metingen.

Om de koppeling van het NAP aan het AGRS te verbeteren worden de mogelijkheden onderzocht om enkele ondergrondse merken dicht bij de AGRS-stations te plaatsen. Ook wordt onderzocht om met behulp van zogenaamde active transponders de AGRS-stations ook voor InSAR-metingen (Interferometric Synthetic Aperture Radar) zichtbaar te maken. InSAR kan mogelijk ook helpen om de omvang van het zakkingsgebied bij concessiemetingen beter te bepalen. Hierdoor kan beter bepaald worden welke omringende ondergrondse merken nog stabiel zijn.

In het kader van een breed onderzoek naar de samenhang tussen verticale referentiestelsels in en rond Nederland onderzoekt de TU Delft mogelijke verbeteringen aan de geoïde voor Nederland. Een van de onderzoeksonderwerpen is de aansluiting met de geoïde op de Noordzee. Verwacht wordt dat resterende sluitfouten tussen de ellipsoïde enerzijds en NAP en de geoïde anderzijds (bijvoorbeeld in Zuid Limburg en op de Maasvlakte) worden verminderd.


Zwaartekrachtinfrastructuur en verticale referentiesystemen

In opdracht van de Rijkswaterstaat Data-ICT-Dienst is in juni 2011 door de TU Delft weer een absolute zwaartekrachtmeetcampagne uitgevoerd ter controle van de verticale stabiliteit van het NAP-referentievlak. De metingen zijn verricht met de FG-5 #234 absolute gravimeter. De gemeten stations zijn: Westerbork (gravimetriebunker), Zundert (brandweerkazerne), Kootwijk (watertoren van het voormalige Radio Kootwijk), Wageningen (Herbariumgebouw WU) en Epen (seismischstation HGN van het KNMI). Eveneens zijn op alle genoemde stations gradiëntmetingen uitgevoerd ter ondersteuning van de absolute gravitatiemetingen. Hiervoor is gebruik gemaakt van een relatieve gravimeter van het type Scintrex CG-3. Daarnaast is onderzoek uitgevoerd over het effect van grondwaterstandveranderingen op de gemeten zwaartekrachtwaardes. Daarbij is aangetoond dat de nauwkeurigheid van de gemeten pleistocene bodemdaling aanzienlijk verbetert indien de metingen voor grondwaterstandveranderingen worden gecorrigeerd. De resultaten zijn verwerkt in het rapport (Reudink & Klees, 2011) en overhandigd aan de Rijkswaterstaat Data en ICT Dienst.

Door een wijziging in de bestemming van het gebouw van het Nationaal Herbarium van de Wageningen Universiteit was het noodzakelijk geworden om dit station te verplaatsen naar een andere nabijgelegen locatie binnen Wageningen. De nieuwe locatie is gevonden in een bergruimte van het voormalige Landmeetkundegebouw van dezelfde universiteit. Om de historie van het oude punt niet verloren te laten gaan, zijn in september 2011 verschil- en absolute gravitatiemetingen verricht tussen het oude en het nieuwe punt. Daardoor blijft de opgebouwde tijdreeks ook in toekomst bruikbaar voor de controle van de verticale stabiliteit van het NAP.

In het kader van de promotieonderzoek van ir. D.C. Slobbe (TU Delft) 'Towards a marine geoid for the North Sea, consistent with the dynamic constraints', dat mede op initiatief van de Subcommissie wordt uitgvoerd, zijn drie publicaties geschreven.
De paper (Slobbe et al, 2012a) beschrijft het verkrijgen van spectrale consistentie tussen een hoge resolutie Mean Sea Level (MSL) en een lage resolutie geoïde met behulp van Slepian basisfuncties. Het artikel (Slobbe et al, 2012b) behandelt het vastleggen van het verticale referentievlak in een hydrodynamisch model met toepassing op het Dutch Continental Shelf Model. Het artikel (Slobbe et al, 2012c) gaat over het realiseren van Lowest Astronomical Tide op de Noordzee.


Internationale samenwerking

Op het symposium EUREF2011 van 25 tot en met 28 mei in Chisinau, Moldavië, is Nederland vertegenwoordigd door ir. J. van Buren (Kadaster). Van Buren presenteerde het National Report of the Netherlands.

De formele nationale vertegenwoordiging van Nederland in EUREF is sinds eind 2010 ir.drs. A.J. Klijnjan (Kadaster). Dr.ir. H. van der Marel (TU Delft) is lid (associate member) van de International GNSS Service (IGS) en participeert in de GNSS en Troposphere working groups van de IGS.


INSPIRE

De richtlijnen van de Infrastructure for Spatial Information in the European Community (INSPIRE) omvatten nadrukkelijk ook referentiestelsels en daarmee een belangrijk deel van de geodetische infrastructuur. De ontwikkelingen bij INSPIRE zijn een vast agendapunt. Geonovum heeft twee bijeenkomsten georganiseerd over andere over coördinatentransformaties. Ir. J. van Buren en ing. S.H. Oosterhof waren bij deze bijeenkomsten aanwezig. De heer R. Broekman (Rijkswaterstaat Data-ICT-Dienst) is lid van de werkgroep Hoogte van INSPIRE.


Publicaties op het gebied van de geodetische infrastructuur

R.H.C. Reudink and R. Klees (2011). Vertical control of NAP 2011 - results of the measurement campaign 2011. TU Delft.
D.C. Slobbe, F.J. Simons, and R. Klees (2012a). The spherical Slepian basis as a means to obtain spectral consistency between mean sea level and the geoid. J. Geod., 20 pages, published on-line, ISSN 0949-7714. URL http://dx.doi.org/10.1007/s00190-012-0543-x.10.1007/s00190-012-0543-x.
D.C. Slobbe, M. Verlaan, R. Klees, and H. Gerritsen (2012b). Vertical referencing of a 2D storm surge model. Submitted to Continental Shelf Research.
D.C. Slobbe, R. Klees, M. Verlaan, L.L. Dorst, H. Gerritsen (2012c). Lowest Astronomical Tide in the North Sea derived from a vertically referenced shallow water model, and an assessment of its suggested sense of safety. Submitted to Marine Geodesy.