Print deze pagina

Jaarverslag 1998 Taakgroep Geodetisch-Astronomisch Station Westerbork

Rapport Samen meten
Radiotelescoop WesterborkAntenne van het AGRS.NL in Westerbork

Ruim vijf jaar geleden zag de toenmalige Faculteit der Geodesie van de TU Delft zich genoodzaakt zich te beraden op de toekomst van haar Observatorium voor Satelliet-geodesie te Kootwijk. Deze vestiging was twintig jaar eerder in gebruik genomen als onderkomen voor de, toen voornamelijk optische en stationaire, satellietgeodetische waarnemingsactiviteiten van de Faculteit.

Technische ontwikkelingen sedertdien, waarbij in toenemende mate gebruik wordt gemaakt van transportabele en verregaand geautomatiseerde waarnemingsapparatuur, boden kansen voor een meer doelmatige bedrijfsvoering, zonder dat de uitvoerbaarheid van het wetenschappelijk programma daardoor in gevaar zou komen. De verhoogde doelmatigheid werd gevonden in overplaatsing van de dagelijkse werkzaamheden van het personeel naar Delft en de verhuizing van de stationaire voorzieningen naar de radiosterrenwacht van NWO/ASTRON te Westerbork. Hierdoor werd de geodetische waarnemingsapparatuur van het observatorium geografisch verenigd met de sterrenkundige, te weten met de synthese radiotelescoop ter plaatse en de bijbehoren-de voorzieningen. Door deze uitnodigende omstandigheden aangesproken, besloot de Nederlandse Commissie voor Geodesie op 22 mei 1997 tot instelling van de Taakgroep Geodetisch-Astronomisch Station Westerbork, met als algemeen gestelde opdracht na te gaan hoe de wetenschappelijke meerwaarde van deze vereniging optimaal kan worden benut.

De Taakgroep kreeg als leden: prof.dr.ir. L. Aardoom (voorzitter, bestuurslid van de NCG), dr.ir. F.J.J. Brouwer (Meetkundige Dienst RWS), prof.dr. H.R. Butcher (ASTRON), prof.Dr.-Ing. R.A.P. Klees (Afdeling Geodesie, TU Delft), prof.dr. R.T. Schilizzi (Joint Institute for VLBI in Europe), prof.dr.ir. P.J.G. Teunissen (Afdeling Geodesie TU Delft) en prof.ir. K.F. Wakker (Faculteit Luchtvaart- en Ruimte-vaart-techniek, TU Delft).
Dr. Brouwer verliet op 1 juli 1998 de Meetkundige Dienst; zijn werk in de Taakgroep werd overgenomen door ir. R.E. Molendijk. Prof. Butcher, prof. Teunissen en prof. Wakker, lieten zich sedert begin 1998 vertegenwoordigen door, respectievelijk, dr.ir. W.A. Baan, dr.ir. H. van der Marel en prof.ir. B.A.C. Ambrosius.
De heer F.H. Schröder (uitvoerend secretaris van de NCG) gaf bestuurlijke ondersteuning.

Op 2 november 1998 presenteerde de Taakgroep haar rapport 'De wetenschappelijke rol van het astrometrisch-geodetisch observatorium te Westerbork' aan de NCG. Het hoofdrapport, dat zich toespitst op de technisch-wetenschappelijke aspecten, werd indringend besproken in de vergadering van de Commissie op 2 december.

De Taakgroep onderscheidt bij 'het observatorium' drie componenten: (1) een astrometrische, in de vorm van de synthese radiotelescoop te Westerbork, (2) een satellietgeodetische, met voorzieningen voor laserafstandsmeting en plaatsbepaling met het Global Positioning System (GPS) en (3) een terrestrische, omvattende een zwaartekrachtsstation en een ondergronds NAP-hoogtemerk; alles nu bij elkaar in de buurt, op een gezamenlijk stukje aarde. De instrumentele voorzieningen en deskundigheid worden ingebracht door ASTRON, het nieuwe Joint Institute for VLBI in Europe (JIVE), het Delft Institute for Earth-Oriented Space Research (DEOS) en de Meetkundige Dienst van de Rijkswaterstaat. De Taakgroep stelt dat het observa-torium haar waarde ontleent aan de geografische vereniging van verschillende appa-ratuur, die primair zal worden ingezet voor het vormen van doorlopende nauwkeurige multi-instrumentele meetreeksen. Deze zijn te benutten voor kritisch onderzoek op het gebied van de mondiale geokinematica, mede in relatie tot de voor ons land belangrijke kwantificering van de eigentijdse relatieve variatie van de zeespiegel. Het is de bedoeling, door de verenigde inzet van de complementaire apparatuur, Nederland in wereldwijd verband kinematisch beter te 'verankeren'. Hierbij verdient de - mede als gevolg van de atmosferische refractie - doorgaans minder goed bepaalde hoogtecomponent de eerste aandacht. Nauw verweven met deze probleemstelling is die van de definitie en realisatie van een consistent aardeomspannend referentiestelsel voor plaats. Een bijdrage aan de oplossing van deze problematiek is - aldus het rapport - niet alleen een taak die ons kennis- en middelenrijke land niet geheel aan anderen mag overlaten, maar tevens onmisbaar voor de bedoelde 'verankering' van Nederland. Het observatorium zal ook een facilitaire rol moeten vervullen ten behoeve van aanpalend onderzoek inzake de aardrotatie, de samenstelling van de dampkring en tijdsvergelijking en -bijhouding. Om de beoogde taken naar behoren te kunnen vervullen zal nog waarnemingsondersteunend onderzoek moeten worden verricht. Zo vereist de geometrische koppeling van de diverse meetsystemen, actueel en nauwkeurig tot op mm-niveau, speciale aandacht. In dit verband moet de mobiliteit van de ondergrond rond Westerbork nog aan een kritisch onderzoek worden onderworpen. Evenzeer moeten de 'nul'punten van te selecteren peilmeetstations langs de kust meetkundig, tot op mm-niveau, worden gekoppeld met het te gebruiken Actief GPS Referentiesysteem voor Nederland (AGRS.NL). Tenslotte moet, in samenspraak met meteorologische onderzoekers, zeker worden nagegaan hoe de invloed van de natte component van de troposfeer kan worden beperkt. De gewenste continue meting van de plaatselijke zwaartekracht vereist aanvullende instrumentele voorzieningen.

De budgettaire consequenties van het uitgebrachte advies, samengevat in een bij het rapport behorend supplement, vereisen nog nadere afweging. Op basis hiervan is het de bedoeling voor de uitvoering van het voorgestelde wetenschappelijke programma in 1999 te komen tot een samenwerkingsovereenkomst tussen de betrokken partijen.