Print deze pagina

Ideeën over een economisch perspectief op Geografische Informatie Infrastructuur



02Groot

Prof.ir. Richard Groot

Prof.ir. Richard Groot (ITC) heeft op dinsdag 12 november 2002, op uitnodiging van de Nederlandse Commissie voor Geodesie een lezing gegeven met de titel 'Ideeën over een economisch perspectief op Geografische Informatie Infrastructuur gegeven'. De lezing was tevens het afscheid van prof. Groot als lid van de Nederlandse Commissie voor Geodesie.

+ pdf van de presentatie

Samenvatting

Ordening in en synthese van informatie en ook geo-informatie, is een aspect van menselijk streven. Atlassen uit de 16e en 17e eeuw, het begin van de systematische kartering van hele landen in de 19e eeuw, het project 'een Internationale Kaart van de Wereld in de schaal van 1:1 miljoen' (1894) getuigen daarvan.

Douglas C. North (Nobelprijs economie samen met Robert W. Fogel, 1993) zou deze activiteiten zien als het creëren van publieke instituties die de transactiekosten in de samenleving beperken waardoor er grotere efficiëntie ontstaat in het economisch verkeer; een belangrijke factor in de verhoging van welvaart. Dat geldt echter vooral als er publieke toegang tot deze instituties (kaartproducten) is die deze economie tot een 'level playing field' maakt.

Door een combinatie van factoren in de jaren 1970 ontstond er een situatie waarin overheden geconfronteerd werden met dringende vragen bijv. betreffende de voortzetting van financiering van nationale karteringsprogramma's. Deze combinatie van factoren bestond uit: de oliecrisis die grote inflatie veroorzaakte, en de revolutionaire ontwikkeling van computer- en communicatietechnologie. Aardobservatie, een afgeleide van de technologische ontwikkelingen, gaf ons zowel een besef van de kwetsbaarheid van onze planeet als de mogelijkheid die kwetsbaarheid te bewaken en bijvoorbeeld milieuongelukken te voorkomen. Overheden moesten drastisch bezuinigen terwijl GIS en RS grote investeringen vereisten die slechts bemachtigd konden worden door grote, vaak onrealistische beloften m.b.t. hun bruikbaarheid.

In het begin van de jaren 1980 drong in Noord-Amerika (en wat later in Europa) het besef door dat deze nieuwe technologieën een ondersteunende infrastructuur nodig hadden om toegang tot en verantwoord gebruik van geo-informatie te faciliteren en zo duplicatie van data-ontwikkeling te voorkomen. In de termen van Douglas North betekent dat dus het bouwen van nieuwe instituties. Twintig jaar later worstelen we op nationaal niveau nog steeds met de vormgeving en invoering van deze instituties. Dit wordt gedeeltelijk verklaard door technische en conceptuele problemen maar ook door het gebrek aan consistente economische rechtvaardiging van de nodige investeringen t.o.v. concurrerende aanspraken op beperkte financiële bronnen.

In de context van globalisering is het van belang dat er internationaal ook een 'level playing field' voor de toegang tot geo-informatie wordt gecreëerd. Er is nu een concurrerend voordeel bij landen die zelf aardobservatiesystemen hebben en dus kritische geo-informatie van andere landen kunnen ontwikkelen, die deze technologie zelf niet hebben. Hierdoor staan deze landen in een zwakke positie ten opzichte van bijv. potentiële handelspartners. Joseph E. Stiglitz (Nobelprijs economie samen met George A. Akerlof en A. Michael Spence, 2001) heeft een economische theorie ontwikkeld die deze soort asymmetrie beschrijft en kwantificeert. Deze theorie wijst op de noodzaak voor nieuwe instituties, misschien door een vernieuwende aanpak met het begrip 'international public good'.